De man van psychiater Cecil Prins was ernstig depressief

Twee jaar geleden werd de man van kinder- en gezinspsychiater Cecil Prins-Aardema (41) opgenomen met een ernstige depressie. Tot haar eigen verbazing vond ze het knap lastig om dat met de buitenwereld te delen. Schuldgevoel en schaamte speelden haar parten. Want niet alleen patiënten, óók hun naasten hebben last van het stigma op psychische klachten. 

PASPOORT
Naam: Cecil Prins-Aardema
Geboren: 6 juli 1978 (Ommen)
Opleiding: VWO op het Meandercollege in Zwolle. Studie geneeskunde aan het VUmc in Amsterdam, specialisatie (kinder- en jeugd)psychiatrie.
Werk: Werkte tussen 2010 en 2014 als (kinder)psychiater in verschillende functies bij GGZ Drenthe. Stapte daarna over naar Fier, Centrum tegen Kinder- en Mensenhandel (CKM). Daar behandelde ze getraumatiseerde moeders en kinderen. Sinds december 2016 is ze terug bij GGZ Drenthe, nu in de functie van manager behandelbeleid van de afdeling gezinspsychiatrie (gezinspsychiatrie.nl).
Privé: Getrouwd met Johan. Samen hebben ze een dochter(18) en een zoon (16). 

Ze herinnert het zich als de dag van gisteren. Het intense verdriet waarmee ze de crisisafdeling van het psychiatrische ziekenhuis verliet. Maar óók de overweldigende opluchting. Niet alleen haar echtgenoot, ook zijzelf en haar kinderen hadden maandenlang met Johans depressie geworsteld. Eindelijk erkenden professionals de ernst van zijn klachten. Kreeg hij de benodigde hulp. Kon het gezin weer ademhalen.
“U heeft een ernstige ziekte waarvoor u in het ziekenhuis moet worden behandeld”, had de psychiater van de crisisdienst een paar uur eerder tegen Johan gezegd. Twee jaar later hebben ze het er nog regelmatig over hoe belangrijk die uitspraak voor hen is geweest. “Het klinkt zo logisch”, zegt Cecil Prins. “Maar is dat in het geval van psychische klachten vaak niet. Dat de psychiater van dienst het zo duidelijk verwoordde, voelde als een bevestiging. De somberheid, het gebrek aan levenslust, de ruzies: ze waren niet Johans — of mijn — schuld, maar het gevolg van zijn ziekte. Met die erkenning viel een last van onze schouders.”
Veel mensen zal het vreemd in de oren klinken dat juist Prins deze opmerkingen maakt. Als psychiater weet zij toch als geen ander hoe psychische problemen werken. “Als professional, ja”, benadrukt ze. “Maar het is zo anders om naaste van een psychiatrisch patiënt te zijn. Als echtgenote kwam ik helemaal klem te zitten. In onze relatie, tussen mijn man en zijn zorgverleners, tussen hem en onze kinderen. Pas nu ik het zelf heb ervaren, weet ik hoe ongelofelijk ingewikkeld dat is.”

Wachtlijst
Terug naar de zomer van 2017. De depressies waar Prins’ man al sinds zijn puberteit regelmatig last van had, verergerden zienderogen. Hij werd prikkelbaar, trok zich steeds meer in zichzelf terug, kreeg allerlei lichamelijke klachten. Werken lukte niet meer, dus kwam hij ziek thuis te zitten. Ook daar kwam er steeds minder uit zijn handen.
Een duidelijke reden voor de verslechtering was er niet, al speelden zijn toenemende slechthorendheid en de ziekte en dood van Prins’ moeder ongetwijfeld een rol. “Waarschijnlijk was het een opeenstapeling van stressfactoren”, vertelt ze. “Feit was dat ik hem nog nooit zo somber had gezien. Dat had effect op onze relatie. We maakten steeds vaker ruzie. De kinderen voelden ook aan dat het niet goed zat en begonnen ons steeds meer te ontzien.”
De signalen van een ernstige depressie herkende Prins natuurlijk wel. Iets aan die klachten doen bleek echter nog niet zo makkelijk. “Het nare is dat een geestesziekte het gedrag van mensen verandert”, legt ze uit. “Dat heeft vaak invloed op relaties. En op de houding van patiënten tegenover hulpverlening. Ze kunnen dan de energie niet opbrengen om om hulp te vragen. Of ze zien het nut er niet meer van in. Dat gold ook voor Johan.”
De geestelijke gezondheidszorg is zo ingericht dat patiënten daar zélf moeten aankloppen. Dat deed haar man tot frustratie van Prins dus niet. Een opmerking van hun zoon opende haar ogen. “‘Daarvoor is papa te ziek’, zei hij tegen me. “En gelijk had hij. Toen heb ik Johan alsnog meegetroond naar de huisarts. Na veel gepraat wilde zij hem doorverwijzen. Maar er bleek een wachtlijst van drie maanden te zijn. Dat trok Johan niet. ‘Laat dan maar zitten’, zei hij. Het was voor mij een van de dieptepunten. Ik wist toen echt even niet meer hoe het verder moest.”

Opname
Door alle spanningen in huis hadden Prins en haar man steeds meer conflicten. Misschien dat relatietherapie zou helpen, dacht de huisarts. Al na een paar gesprekken werd echter duidelijk dat met hun relatie zelf niets mis was. Wel was die uit evenwicht geslagen door Johans ziekte. “Door zijn stemmingsklachten waren we steeds verder verstrikt geraakt. Die constatering maakte voor mij een groot verschil. Want als je niet uitkijkt, krijg je als partner de verantwoordelijkheid voor de problemen in je schoenen geschoven en ga je geloven dat het allemaal aan jou ligt.”
Niet lang daarna belde Johan zijn vrouw op een maandagochtend in paniek op haar werk. “Het gaat niet meer, ik moet NU worden opgenomen”, zei hij tegen haar. Hij bleek al langer over de dood te denken en was bang dat hij daarnaar zou handelen. Zo belandden ze bij de psychiater van de crisisdienst. Uiteindelijk zou Johan acht maanden opgenomen blijven.
“We besloten meteen om heel open te zijn over zijn opname”, vertelt Prins. “We wonen in een klein dorp en wilden voor onze kinderen voorkomen dat er allerlei rare verhalen de ronde zouden gaan doen. We praatten met de omgeving over zijn ziekte alsof het een lichamelijke aandoening was, net zoals de psychiater van de crisisdienst met ons had gedaan. Daardoor voelde het minder ‘eng’. Dat bleek goed te werken.”
Iets anders wat Prins al snel regelde, was concrete hulp van vrienden en buren. “Mensen willen vaak graag wat doen, maar ze weten niet wat. Dus vroeg ik ze bijvoorbeeld om te koken of op te passen. En om ons een kaartje voor Johan mee te geven. Want patiënten op een psychiatrische afdeling krijgen zelden post.” 

Schaamte
Even twijfelde Prins of ze ook haar collega’s moest vertellen wat er thuis aan de hand was, bezorgd wat die daar wel niet van zouden denken. “Voor het eerst werd ik me bewust van mijn eigen vooroordelen. Ik schaamde me dat het mij als psychiater niet was gelukt om zo’n ernstige crisis bij mijn man te voorkomen. Raar eigenlijk, hè. Want als ik oncoloog was geweest en mijn man had kanker gekregen, had ik dat denk ik niet zo gevoeld. Bij psychiatrische aandoeningen werkt het kennelijk anders.”
Dat merkte ze ook toen ze toch besloot het nieuws op haar werk te delen. Na het overlijden van haar moeder een jaar eerder uitten veel collega’s openlijk hun medeleven. Maar na het bericht over de opname van haar man bleef het verbazingwekkend stil. In eerste instantie althans. Want naderhand kwamen verschillende mensen naar haar toe. “Vaak om te vertellen dat ze zelf in hun eigen omgeving ook zoiets hadden meegemaakt. Ik dacht dat ik niemand in een vergelijkbare situatie kende. Inmiddels weet ik er een heleboel. Soms zelfs mensen met wie ik al jarenlang samenwerk. Het bewijst hoe moeilijk het is om over psychische problemen te praten.”
Dat zette haar aan het denken: het maatschappelijke stigma op psychische klachten werkt dus óók door naar naasten. Met als gevolg dat bijvoorbeeld partners en kinderen zich onnodig eenzaam voelen. En vaak niet de hulp en ondersteuning krijgen waar ze behoefte aan hebben.
Daar moet ik wat aan doen, dacht Prins. Zo ontstond het idee voor de campagne Break the stigma for Families, waarbij naasten van mensen met psychische klachten samen met anderen op de fiets stappen. Het doel: aandacht vragen voor de gevolgen voor de omgeving. (Zie kader.) “Juist omdat ik uit eerste hand weet hoe moeilijk het is, zet ik me in voor meer openheid. Ik wil lotgenoten laten weten dat ze niet alleen zijn.” 

Respect en steun
Gevraagd naar hoe het nu met Prins’ gezin gaat, luidt het antwoord: wisselend. Na die eerste keer is haar man nog een keer opgenomen geweest, toen voor drie maanden. Langzamerhand komt de familie eraan toe om samen te herstellen, en te zoeken naar een nieuw evenwicht in het gezin.
Behalve als echtgenote en ouder hebben de ervaringen van de afgelopen jaren Prins als zorgprofessional veranderd. “Ik ben me nóg bewuster van hoe moeilijk mensen het vaak vinden om hulp te vragen. En van wat een lange weg zij en hun naasten al hebben afgelegd voor ze bij ons aan tafel zitten. Alleen al daarom verdienen patiënten én hun families respect en alle mogelijke steun.”

[Kader]
Break the Stigma for Families (BtSfF)
In 2018 lanceerde Cecil Prins-Aardema samen met het Fietsnetwerk Drenthe de internationale fietscampagne Break the Stigma for Families. Die is een vervolg op de Amerikaanse Break the cycle-campagne van Prins’ mentor, kinderpsychiater Andrés Martin, directeur van het Yale Child Study Center. Martin, die zelf al zijn hele leven met depressies kampt, fietste van de ene naar de andere kant van de Verenigde Staten om zo aandacht te vragen voor psychische klachten bij kinderen. Het bracht Prins en Martin op het idee om hier een vergelijkbaar project op te zetten voor families die te maken krijgen met psychische klachten. Inmiddels zijn er in Drenthe verschillende fietsprojecten gestart en is er in de VS ook een Break the Stigma for Families-fietstocht geweest. In 2020 volgen initiatieven in onder andere Zweden en Singapore.
Meer informatie: ggzdrenthe.nl/breakthestigma.

Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, 18 januari 2020. Foto: Jaspar Moulijn.