Deze verpleegkundigen zorgen dag in, dag uit voor coronapatiënten

Anneke en Jacqueline behandelden dit voorjaar maandenlang covid-patiënten. Dat was spannend, soms hartverscheurend en het betekende keihard werken. Maar ze voelden: hier ben ik voor gemaakt.

Anneke van den Akker (58) werkt als intensive care- en regieverpleegkundige in het Medisch Centrum Leeuwarden.
“Alsof ik als klein meisje voor het eerst in het diepe sprong. Zo voelde ik me toen ik voor de kamer stond van mijn eerste COVID-patiënt. Half maart was het, en ik was net begonnen aan een late dienst. Bij binnenkomst op de afdeling zag ik mijn naam bij een patiënt staan, die geïsoleerd op een kamer lag. Dat moest wel corona zijn. Hier gaan we, dacht ik.
In mijn maanpak — overall met muts, handschoenen, mondkap, spatbril en schoencovers — stapte ik naar binnen. Daar lag een man van in de zeventig. In slaap gebracht en aan de beademing. Ik moest meteen vol aan de bak — COVID-patiënten die op de intensive care belanden, zijn echt heel ernstig ziek. Als verpleegkundige neemt de professional in je het dan direct over. Maar een paar uur later, toen ik even uitpufte op een krukje naast zijn bed, kwam de situatie ineens hard binnen. Vanaf nu ben ik onderdeel van het wereldnieuws, realiseerde ik me. Ik had geen idee wat ons te wachten stond.”
100 procent
“Toen ik begin dit jaar voor het eerst over COVID hoorde, maakte ik me  niet meteen zorgen. Het virus was nog ver van ons bed, net als Ebola in Afrika. Maar zodra het in Italië opdook, wist ik: nu is het een kwestie van tijd voor het ook hier komt.
Ik zie mezelf nog voor de televisie zitten bij Ruttes eerste toespraak. Wat gaat deze lockdown voor mijn familie betekenen?, schoot er door mijn hoofd. Mijn vader en schoonmoeder zijn ver in de tachtig, mijn broer heeft een eigen zaak, mijn zoon werkt als zelfstandige. Corona zou voor hen allemaal verregaande gevolgen hebben. Een fractie later kwamen de vragen over mijn werk. Hoe zou onze IC eruit gaan zien? Hoe druk zou het er worden? Daar kon ik me op dat moment nog niets bij voorstellen. Eén ding wist ik wel: ik ging me in deze crisis voor 100 procent inzetten.
Snel daarna heb ik aangeboden om voltijd te gaan werken, in plaats van mijn gebruikelijke 28 uur per week. Ook omdat ik als regieverpleegkundige een coördinerende rol heb. Bovenop het reguliere werk moest ik ineens verschillende scenario’s uitwerken, extra personeel regelen en nieuwe roosters maken. Ergens was dat trouwens wel fijn, want zo kon ik direct iets praktisch bijdragen.
Normaal gesproken hebben we maximaal achttien bedden op onze IC. In minder dan geen tijd werd die capaciteit uitgebreid naar 35. Je moet niet onderschatten hoeveel inspanning zoiets vergt. Niet in de laatste plaats van de facilitaire medewerkers, technici en ICT-ers. Zij hebben bijvoorbeeld op stel en sprong een vergaderruimte omgetoverd in een high tech IC-kamer. Ik heb zo’n respect voor het werk dat zij hebben verzet. In het nieuws hoor je nooit iets over deze mensen achter de schermen, maar ze hebben echt wonderen verricht.
Gelukkig hadden we in Noord-Nederland de tijd om ons voor te bereiden op de eerste COVID-patiënten, en dit soort voorzieningen en protocollen goed te regelen. Voor mijn collega’s in Noord-Brabant was dat natuurlijk heel anders; zij werden plotseling door corona overvallen. Zeker in die eerste maanden heb ik vaak aan hen gedacht.”
Patiënten
“Zolang ze heel ziek zijn, worden COVID-patiënten op de IC in slaap gehouden. Maar zodra het lichamelijk kan, maken we ze wakker. Dan krijg je als verpleegkundige natuurlijk een heel ander contact met je patiënten. Drie mannen zijn me in het bijzonder bijgebleven.
De eerste was een grote, stoere vent, een voormalige politieman. Toen hij bij ons op de afdeling kwam, was het zuurstofgehalte in zijn bloed gevaarlijk laag, maar had hij nog praatjes voor tien. Vooral over alles waar hij zich aan ergerde, zoals het ziekenhuiseten. Bij mijn volgende dienst, een paar dagen later, trof ik hem doodziek aan en lag hij aan de beademing. Dat is het heftige van COVID: de infectie verloopt vaak heel grillig. Het ene moment lijkt iemand op te knappen, het volgende moment vecht hij voor zijn leven. Met de politieman liep het gelukkig goed af.
De tweede COVID-patiënt die veel indruk op me maakte, was een fitte zeventiger die wekenlang bij ons op de IC lag. En dat terwijl hij vóór corona hij rustig drie keer per week veertig kilometer fietste. Als gevolg van het virus was zijn stemband verlamd. Praten moest via een buisje in zijn keel, zelfstandig eten ging niet meer. Ondanks alles bleef hij positief, en maakte hij zelfs grapjes. Zijn optimisme en veerkracht hebben me enorm geïnspireerd. Ik kan alleen maar hopen dat ik ook zo reageer als ik zelf een keer iets ernstigs krijg.
En dan was er nog een verder gezonde man van in de dertig. Zonder COVID, maar als gevolg van de pandemie was hij zo depressief en angstig geworden, dat hij — uit het niets — had geprobeerd een einde aan zijn leven te maken. Met blijvende lichamelijke schade tot gevolg. Van alle patiënten uit het afgelopen jaar heeft hij me misschien wel het meest geraakt. Zijn verhaal laat zien dat corona zoveel méér veroorzaakt dan fysieke problemen. De onzekerheid de angst, het verdriet, de rouw: daar hoor je weinig over. Maar de impact ervan is immens en werkt vermoedelijk nog jaren door.”
Onvoorspelbaar
“Mensen vragen me vaak of ik het niet eng vind om COVID-patiënten te verplegen. Daar kan ik kort over zijn: totaal niet. Ik heb me er ook geen seconde zorgen over gemaakt dat ik door mijn werk zelf ziek zou worden, of mijn familie zou besmetten. Als IC-personeel zijn we immers juist  optimaal beschermd.
Weet je, voor buitenstaanders voelen COVID-patiënten heel bedreigend. Maar voor mij zijn ze niet wezenlijk anders dan de rest van de patiënten op de IC. Alle mensen op onze afdeling zijn ernstig ziek. En allemaal krijgen ze dezelfde, best mogelijke zorg. Bovendien hebben we op de IC wel vaker te maken met besmettelijke aandoeningen. Bijvoorbeeld bij patiënten met het MRSA-virus. Ook dan moeten we allerlei protocollen in acht nemen en extra beschermende kleding dragen. Dat is dus onderdeel van ons normale werk.
Eerlijk is eerlijk: het is niet bepaald prettig om een hele dienst van top tot teen ingepakt te zitten. Het verzorgen van COVID-patiënten is lichamelijk zwaar, dus je zweet al gauw peentjes. En je kunt niet tussendoor even naar buiten lopen om af te koelen. Sterker nog, als je de kamer wilt verlaten, moet je alle beschermde kleding uitdoen en jezelf ontsmetten. Om vervolgens alle handelingen andersom te herhalen, voor je weer naar binnen mag. Toch vind ik dat niet het heftigste. De intensiteit van corona zat — en zit — hem voor mij vooral in de onvoorspelbaarheid ervan. Hoe ontwikkelt het virus zich? Wat komt er nog op ons af? Hoe lang houden mijn collega’s dit vol? En ik zelf? Die onzekerheid kan veel stress geven. Gelukkig is het in de praktijk tot nu toe allemaal heel goed gegaan.”
Familie
“Als verpleegkundige ben je constant bij je patiënten, doe je alles voor ze wat je kunt. Familieleden daarentegen staan machteloos langs de zijlijn. Vóór corona konden zij op de IC in ieder geval de hele dag in en uit lopen, en zo lang aan het bed van hun geliefde zitten als ze wilden. Nu is dat allemaal anders. Naasten van niet-COVID-patiënten laten we beperkt toe. En tenzij ze op sterven liggen, mogen besmettelijke COVID-patiënten zelfs helemaal geen bezoek ontvangen. Dan is er dus alleen contact op afstand, via beeldbellen. Moet je je voorstellen wat dat met een partner of kinderen doet. Het verdriet hierover bij families grijpt me iedere keer weer naar de keel.
Ik weet nog dat we op onze afdeling een COVID-patiënte uit Brabant hadden. Haar man was óók besmet en lag in een ziekenhuis een paar honderd kilometer verderop. Hun enige kind, dat in één klap haar beide ouders dreigde te verliezen, moest constant tussen hen heen en weer rijden. Hartverscheurend; als ik eraan terugdenk, schiet ik gelijk weer vol. Gelukkig haalden haar vader en haar moeder het allebei. Ze was zo dankbaar voor onze goede zorg, dat ze vanuit Brabant speciaal naar Leeuwarden kwam om ons vier taarten te brengen, gebakken door haar dochter. Dat ze daar in alle stress en verdriet tijd voor maakte, ontroerde me enorm.”
Bijstaan
“Terugkijkend heeft de coronacrisis me als verpleegkundige niet echt veranderd. Ik ben vooral blij dat ik afgelopen jaar iets wezenlijks voor mensen heb kunnen betekenen. Door mijn werk was ik me altijd al heel bewust van de vergankelijkheid van het leven; dat gevoel is door COVID niet versterkt. Wel heb ik door de komst van corona veel aan mijn oma gedacht. Zij overleefde in 1918 de Spaanse griep. Dat virus eiste wereldwijd zo’n vijftig miljoen levens, mede omdat de zorg in die tijd in niets vergelijkbaar was met nu. Ook toen kwam er in het najaar trouwens een tweede golf. Bijzonder hoe de geschiedenis mijn oma en mij op deze manier verbindt.
Natuurlijk vind ik het fijn dat er door corona meer aandacht en waardering voor de zorg is gekomen. Maar de mooie woorden, het applaus en de geldelijke bonus geven me ook een dubbel gevoel. Want dit is het werk dat we dagelijks doen, crisis of niet. En wij medisch personeel niet alleen. Er zijn zoveel meer onmisbare mensen in de zorg, van techneuten tot schoonmakers. Die verdienen net zo goed respect.
Ik weet als geen ander hoe verschrikkelijk ziek je van het COVID-virus kunt worden. En dat de besmetting levensbedreigend kan zijn — ook in ons ziekenhuis zijn patiënten aan COVID overleden. Dus ja, ik zeg er wel wat van wanneer mensen bijvoorbeeld in de supermarkt onvoldoende afstand houden. Als ik vertel hoe COVID-patiënten er bij ons bij liggen, zetten ze gauw een paar stappen achteruit. Toch trek ik me dat soort onverantwoordelijke gedrag niet persoonlijk aan. Ik kan de wereld immers niet in mijn eentje veranderen. Wat ik wel kan doen, is alles geven om patiënten zo goed mogelijk bij te staan. Dat doe ik met liefde, iedere dag weer.”

Jacqueline Upperman (56) werkt als als verpleegkundige in een verpleeghuis van zorgorganisatie Meriant in Heerenveen.
“Het begon eind februari met een telefoontje van mijn manager. Of ik aan de slag wilde in het ‘COVID-huis’: een leegstaande vleugel van een verpleeghuis in Heerenveen, dat werd omgebouwd tot een ziekenhuisafdeling voor coronapatiënten. ‘Je mag er even over nadenken hoor’, zei hij. Dat hoefde niet; ik wist meteen dat ik dit wilde doen. Ik werk mijn hele leven al in de zorg, maar pas de laatste drie jaar als verpleegkundige. Het leek me ontzettend interessant en leerzaam om in de crisiszorg aan de slag te gaan.
In minder dan geen tijd werd er een toegewijd team samengesteld van onder meer artsen, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten. Deels medewerkers van onze eigen organisatie, deels professionals van buiten. Die kwamen onder andere via uitzendbureaus en zelfs vanuit het leger. Samen met allerlei ondersteunende diensten stampten we in een paar dagen het COVID-huis uit de grond. Dat had drie zones: rood, oranje en groen. Rood was uiteraard de afdeling voor de besmettelijke patiënten, met 25 bedden. Groen was ‘schoon’, oranje de overgangszone.
De eerste dagen druppelde er een paar patiënten binnen. Is dit het nou?, dacht ik. En toen liep het vanaf de tweede week ineens storm. Soms hadden we wel vier opnames per dag. Dan moesten we echt alle zeilen bijzetten. Artsen en verpleegkundigen werkten vaak continu diensten, dagen achter elkaar. Hoe vreemd het ook klinkt, eigenlijk vond ik dat best fijn. Als zorgverleners zijn we niet opgeleid om aan de zijlijn te staan, maar om onze handen uit de mouwen te steken. Het gaf veel voldoening dat dat toen eindelijk kon.
Ondanks dat we elkaar allemaal pas net kenden, draaide ons team al snel als een geoliede machine. Zo bijzonder! Vermoedelijk maak je zoiets maar eens in je leven mee. In een crisissituatie word je echt op elkaar teruggeworpen en moet je elkaar 100 procent kunnen vertrouwen. Dat creëert een heel hechte band.”
Zelfvertrouwen
“In mijn dagelijkse baan, in een woonzorgcentrum, dien ik onder andere zuurstof, insuline en sondevoeding toe, trek ik steunkousen aan en voer ik blaaskatheterisaties uit. Verder draai ik verpleegkundige diensten, zodat ik bij calamiteiten kan bijspringen. Heel ander werk dan in het COVID-huis, waar ik te maken kreeg met doodzieke mensen, die met een ambulance binnenkwamen. Ze waren zo benauwd, dat ze amper of helemaal niet meer konden lopen. Het merendeel had hoge koorts, erge hoofdpijn en ‘brandende’ longen.
De eerste patiënten kwamen uit Brabant. Later volgden mensen vanuit onze eigen en andere verpleeghuizen, en vanuit de thuissituatie. Daarnaast namen we COVID-patiënten uit ziekenhuizen op, die van de intensive care mochten, maar nog niet fit genoeg waren om naar huis te gaan. Bij ons konden ze dan revalideren. Vandaar dat er ook een fysiotherapeut, ergotherapeut en diëtist in ons team aanwezig waren.
In het begin vond ik het best spannend om zulke intensieve zorg te verlenen. Gelukkig werkten we als verpleegkundigen altijd in duo’s. Samen hadden we dan de zorg voor vier à vijf patiënten. Aan het eind van iedere dienst evalueerden we onze patiënten met alle andere collega’s. Het was fijn om dan mijn ei kwijt te kunnen. En bijvoorbeeld bij de artsen te kunnen checken of ik goed had gehandeld in een bepaalde situatie. Daardoor groeide mijn zelfvertrouwen snel.
Ik weet dat er op veel plekken in Nederland een tekort was aan beschermingsmiddelen. Tot onze opluchting hebben wij daar weinig last van gehad. Overigens was het zwaar om met al die beschermende kleding te werken. Officieel hadden we elke twee uur pauze. Een enorm gedoe, want dan moest je alles uitdoen en jezelf helemaal ontsmetten. De eerste tijd werkte ik daarom vaak wat langer door. Zonder te eten of te drinken, want dat kan natuurlijk niet met een mondmasker op. Ondertussen zweet je je wel kapot in zo’n pak. Daardoor ben ik zelf een keer onderuit gegaan — ik viel letterlijk bijna flauw. Vanaf dat moment ben ik toch maar op tijd pauze gaan nemen.”
Erehaag
 “Corona kwam ineens heel dichtbij, toen beide ouders werden opgenomen van een vroegere schoolvriendin waarmee ik in de klas had gezeten. In het begin van de crisis lieten we helemaal geen familie bij besmettelijke patiënten. Tegen de tijd dat zij bij ons kwamen, was dat beleid iets versoepeld en mocht er één familielid — in volledige beschermende kleding — naar binnen. Net zo goed hartverscheurend, want in dit geval betekende het: één van hun twee dochters. Hoe maak je als familie die keus?
Uiteindelijk is hun vader helaas overleden. Omdat ze zelf nog ziek was, kon hun moeder niet naar de uitvaart. Zo verdrietig. We hebben toen als personeel besloten haar met bed en al naar buiten te rijden, zodat zij in ieder geval op afstand afscheid kon nemen van de kist. Terwijl wij als medewerkers een erehaag vormden, reed de rouwauto langs haar bed. Het was een van de indrukwekkendste dingen die ik ooit heb meegemaakt.
Er was nog een ander echtpaar dat veel indruk op me heeft gemaakt.  Ook zij kwamen samen bij ons binnen, allebei hartstikke ziek. De vrouw was dementerend, haar man zorgde al jaren voor haar. Maar door COVID ging dat niet meer. “Ik ben nog nooit zo beroerd geweest”, zei hij. Het viel hem emotioneel heel zwaar dat hij de kracht niet meer had om zijn vrouw te helpen. Wonderbaarlijk genoeg hebben ze het allebei overleefd. Maar zijn vrouw moest daarna wel naar een verpleeghuis. Zijn verdriet daarover ging door merg en been. Want ook al hadden ze het virus doorstaan, het betekende voor hem toch een groot verlies. Zijn leven zou nooit meer hetzelfde zijn als vóór corona.
Gelukkig was het niet alleen maar narigheid wat de klok sloeg. We hebben ook veel mooie, blije en hoopgevende momenten meegemaakt. Ik vind het ook altijd weer indrukwekkend om te zien hoe veerkrachtig mensen zijn. Zo was er een dame, die na een ic-opname totaal verzwakt bij ons binnenkwam. Na twee maanden revalideren kon ze onze afdeling zelfstandig lopend verlaten. Op zo’n ervaring kon ik dagen teren. ”
Gezicht
“Uiteindelijk heb ik afgelopen voorjaar ruim drie maanden in het COVID-huis gewerkt. Wat me in die tijd het meest heeft geraakt, waren de angst en de wanhoop in de ogen van de patiënten die binnenkwamen. Vaak te moe en benauwd om zelfs te kunnen praten. Het allermoeilijkste was dat hun dierbaren, zeker in het begin, niet bij ze mochten. Onmenselijk, voor hen én voor hun naasten.
Wij als zorgmedewerkers vonden dat trouwens ook heel zwaar. We hielden familieleden dagelijks op de hoogte. En als ze daar lichamelijk toe in staat waren, konden patiënten met hun naasten beeldbellen. Maar dat haalt het natuurlijk niet bij echt contact. Omdat alle kamers op de begane grond lagen, kwamen familieleden ook voor de ramen zwaaien. Vaak vloeiden er dan tranen. Als je dat ziet, breekt je hart. In dat soort situaties voelden we ons als verpleegkundigen enorm machteloos. We wilden niets liever dan geliefden herenigen. Maar dat mocht natuurlijk niet.
Wat we op een gegeven moment wél konden doen, was ons gezicht tonen aan onze patiënten. De behoefte aan een connectie, aan echt contact, was zo groot, dat we op een mooie dag besloten de mensen met bed of rolstoel en al naar buiten te rijden. Daar zijn we als medewerkers op ruime afstand gaan staan en hebben we onze mondkapjes even afgedaan. Ook toen kwamen de tranen. Eindelijk zagen de patiënten de mensen achter de maskers. Dat maakte het contact nog intenser.
Dat ze emotioneel werden, geeft wel aan hoe ingrijpend gedwongen afstand en afzondering is. Die raken je in de kern van je menszijn. Ik ben er trouwens van overtuigd dat dat doorwerkt in de lichamelijke gezondheid. Je bent immers zoveel méér dan je lijf. Het mentale welzijn en je omgeving zijn minstens even belangrijk voor je geluk. En ook daar heeft corona een enorme impact op. Helaas is juist voor dat soort zaken in de zorg nu vaak weinig tijd. In plaats van eenmalige bonussen uit te delen, zou ik dus liever zien dat er structureel meer geld komt voor die aspecten van het werk. Uiteindelijk wordt iedereen daar beter van.”
Veranderd
“Op 1 juni waren de patiëntenaantallen landelijk zodanig gezakt, dat we het COVID-huis — in ieder geval tijdelijk — konden sluiten. Daarna ben ik twee weken in quarantaine gegaan, voordat ik naar mijn normale werk terugkeerde. Thuis op de bank merkte ik pas hoe uitgeput ik was. Zolang ik in de achtbaan zat en de adrenaline mijn werk deed, stoomde ik op volle kracht door. Pas toen ik de verantwoordelijkheid kon loslaten, kwamen de vermoeidheid en de emoties.
We hebben in het COVID-huis veel ellende meegemaakt — een derde van de patiënten die we er verpleegden, is overleden. Maar óók heel veel mooie momenten gedeeld. Met patiënten en hun families. En als zorgpersoneel met elkaar. Nog altijd hebben we als medewerkers contact via een eigen WhatsApp-groep. Zodra de maatregelen het toelaten, organiseren we een reünie. We hebben tenslotte iets unieks gedeeld samen. Ik vind het fantastisch dat ik daar een steentje aan heb kunnen bijdragen.
Inmiddels ben ik alweer een tijdje terug op mijn oude stekkie in het woonzorgcentrum. Mijn werk is  inhoudelijk niet wezenlijk veranderd, maar ik merk wel dat de bewoners daar óók te lijden hebben onder de gevolgen van corona. Ik durf best te stellen dat het gebrek aan menselijk contact voor hen net zo goed traumatisch is. Veel meer mensen dan voorheen zijn erg somber, en voelen zich eenzaam. Het verborgen leed is groot.
Wat mezelf betreft heb ik het afgelopen jaar zo veel bijgeleerd. Over mijn vak natuurlijk. Maar ook dat ik meer aankan dan ik dacht. De ervaring heeft me sterker en zekerder gemaakt. En daarmee een betere verpleegkundige.”

Gepubliceerd in Margriet 54, december 2020. Fotografie: Iris Planting.