Vlees of vega?

Carin Leenders de Vries (60) werkt al 35 jaar als culinair specialist. Voor het AD schreef ze acht jaar lang dagelijks een nieuw recept. Ook heeft ze een eigen receptenapp, Caatkookt. Carin eet graag — maar bewust — vlees. 

“Ik ben mijn hele leven al met eten bezig, onder andere als kookdocent, receptontwikkelaar en foodstylist. De rode draad in mijn carrière is dat ik mensen wil helpen om bewust te kiezen voor beter eten. Dat geldt zeker óók voor vlees.
De liefde voor goed eten heb ik van huis uit meegekregen. Mijn ouders kochten hun vlees bij slager Fokkema, aan de zuidkant van Rotterdam, waar we toen woonden. Hij haalde zijn dieren uit de buurt en slachtte ze zelf. Als kind zag ik de halve koeien en varkens in zijn zaak hangen. Daar werd ter plekke een stuk vanaf gesneden. We wisten dus precies wat we aten en wat de herkomst was. Nog altijd vind ik dat belangrijk; ik koop zelden vlees bij een supermarkt. Maar door de massaproductie in de vleesindustrie hebben de meeste mensen helaas geen idee meer wat er eigenlijk op hun bord ligt.
Zelf eet ik gemiddeld vier keer per week vlees. Wat mijn favoriete stukje is? Ik kan enorm van een entrecote genieten. Maar net zo goed van stoofvlees of een gehaktbal. Zolang de kwaliteit maar goed is. Daar voel ik me nooit schuldig over, noch voor de dieren, noch voor het milieu. Ik haal mijn vlees bij biologische slagerij De Groene Weg in Rotterdam. Zij werken samen met regionale veeboeren, die zich inzetten voor het dierenwelzijn en de natuur op en rond hun boerderij. Dat zit dus wel goed.
‘Maar biologisch vlees is onbetaalbaar’, hoor ik vaak. Natuurlijk, het is wat duurder. Toch valt het uiteindelijk best mee, zeker als je niet te grote porties neemt en niet dagelijks vlees eet. Een biologische Duitse biefstuk kost per ons misschien twee euro. Daar heb ik voor één maaltijd genoeg aan. Ik eet liever een stukje vlees van 100 gram dat écht lekker is dan een bord vol kiloknallers zonder smaak. Méér is wat vlees betreft zeker niet beter. Integendeel. Dat probeer ik  de vmbo-leerlingen aan wie ik kookles geef ook bij te brengen. We moeten weer leren hoe een koe, varken of kip hoort te smaken. Want als je eenmaal vlees van echt goede kwaliteit hebt geproefd, wil je nooit meer anders.” 

————————————————————————————————————

Erna Veerbeek (53) werkt als apothekersassistente in het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie in Utrecht. Sinds haar 11e eet ze geen vlees.

“Ik ben opgegroeid op een kleine boerderij bij Doetinchem. We hadden tien koeien, tien varkens, vijftig kippen en een paar schapen. Van jongs af aan waren de dieren mijn vriendjes. Ik was een onzeker, verlegen meisje. Op school voelde ik me niet veilig, bij de varkens wel. Het liefst zat ik bij de biggetjes in het hok. Ik vond het vreselijk als onze dieren naar het slachthuis gingen.
Vanaf mijn elfde kon ik het daarom niet meer over mijn hart verkrijgen om nog vlees te eten. Maar dat tegen mijn vader en moeder zeggen, durfde ik niet. Ik wist dat ze daar als traditionele boeren niets van zouden begrijpen. De enige oplossing was om stiekem vegetariër te worden. Zonder dat mijn ouders het door hadden, schoof ik mijn stukje vlees steevast op het bord van mijn vader. Dat heb ik jarenlang volgehouden. Pas toen ik op mijn achttiende uit huis ging, durfde ik me uit te spreken.
Op kamers in Utrecht ontdekte ik dat er meer mensen waren die bewust geen vlees aten. En uit de mond van Paul McCartney hoorde ik voor het eerst het woord ‘vegetariër’. Tot dan had ik me nooit gerealiseerd dat daar een naam voor was! Ineens voelde ik me niet meer alleen in mijn overtuiging. Ik werd lid van de Vegetariërsbond en later ook van de Partij voor de Dieren. Toen ik kinderen kreeg, heb ik die vegetarisch opgevoed. Omdat ik lekker en gevarieerd kook, misten zij en hun vader daar niets aan. Mijn huidige vriend eet wel vlees. Dat moet ik respecteren. De afspraak is: in zijn huis wel, in het mijne niet. Grappig genoeg merkt hij nauwelijks een verschil als ik iets van de Vegetarische Slager klaarmaak.
Mijn keus om geen vlees te eten begon met mijn liefde voor dieren. Maar de ontwikkeling van de bioindustrie heeft me daar alleen maar in gesterkt. Afschuwelijk hoe we met vee omgaan. Alsof het productiemiddelen zijn in plaats van levende wezens. Mijn ouders kregen daar in de loop van hun leven trouwens ook steeds meer moeite mee. Gaandeweg zijn ze beter gaan snappen waarom ik vlees laat staan, mijn moeder eerder dan mijn vader. Maar een jaar of tien geleden begon zelfs hij met trots te vertellen dat ik vegetariër ben. Dat had ik als kind nooit durven dromen!”